EEN NIEUW KERKELIJK JAAR

Het kerkelijk jaar wijkt af van het van het burgerlijk jaar, omdat het is opgebouwd rond het leven van Jezus.

Daarom begint het 4 zondagen vóór Kerstmis. Op die zondag (28 november 2010) begint de ADVENT. Het is de tijd van wachten op de komst van Jezus met Kerstmis (25 december). De kersttijd, de kindertijd van Jezus, duurt tot Driekoningen (6 januari). Vroeger werd de Kersttijd afgesloten op Maria Lichtmis (2 februari), precies 40 dagen na Kerstmis. Op Aswoensdag  (9 maart 2011), dat onmiddellijk aansluit op de Carnavalsdagen, begint de VASTENTIJD, ook wel genoemd 40-DAGENTIJD. Het is de periode waarin we Jezus volgen op zijn weg naar Palmzondag, Witte Donderdag, Goede Vrijdag, Paaszaterdag en Pasen (4 april 2011). De week van Palmzondag tot Pasen noemen we de Goede Week.
De Paastijd loopt door tot Pinksteren (50 dagen). In die periode vieren we ook nog Hemelvaart (40 dagen na Pasen). De tijd na Pinksteren duurt voort tot het einde van het kerkelijk jaar (de 5e zondag vóór Kerstmis). Op die zondag vieren we het feest van Christus Koning, het feest van Jezus, koning van het heelal. Dit feest verwijst naar de toekomst wanneer Christus “alles in allen” zal zijn. De getallen 40 en 50 hebben vanuit de Bijbel een sterk symbolische lading.

VASTE EN WISSELENDE DATA

Kerstmis valt altijd op 25 december. Zo ook Driekoningen, Allerheiligen en Allerzielen (1 en 2 november). De andere grote feestdagen hebben wisselende data. Wanneer het Paasfeest valt, wordt ieder jaar berekend vanuit de stand van de maan. Pasen valt op de eerste zondag na de eerste volle maan na 21 maart. Van daaruit wordt uitgeteld wanneer Aswoensdag valt, Palmzondag, Hemelvaart en Pinksteren. Op de cirkel van het kerkelijk jaar is dat het segment (zie afbeelding) dat geen vaste data heeft.

KLEUREN

De kleuren van het kazuifel dat de priester draagt geven de sfeer weer van de periode van het kerkelijk jaar waarin we zitten. PAARS is de kleur van de inkeer, bezinning, voorbereiding op een belangrijk gebeuren: Kerstmis en Pasen. WIT is de kleur van het feest: de kersttijd en de paastijd.  ROOD is de kleur van het vuur: Pinksteren. GROEN gebruiken we als er geen speciale stemming heerst in het kerkelijk jaar.
Daarnaast gebruiken we PAARS bij uitvaarten, biecht, ziekenzalving;  WIT bij doop, eerste communie, huwelijken, jubilea, en ROOD bij de toediening van het vormsel.

LIEDEREN

Ook de liederen  weerspiegelen de stemming van het kerkelijk jaar. In de Advent zingen we vooral liederen van verlangen, de kersttijd heeft zijn eigen kerstliederen. De vastentijd heeft veel liederen met het thema verantwoordelijkheid, bekering, navolging, lijden. In de Paastijd klinkt herhaaldelijk het blijde Alleluja en rond Pinksteren zingen we liederen die vooral gaan over de heilige Geest.

OUD/NIEUW

Dus we staan nu op de drempel van een nieuw kerkelijk jaar. Op 21 november is de kleur WIT en zingen we Christus toe als de uiteindelijke overwinnaar van deze wereld. Vroeger (soms nog) klonk dan dit triomfantelijke lied: “Aan U, o koning der eeuwen, aan U blijft de zegekroon. Onsterf’lijk schittert uw glorie door alle haat en hoon! De volkeren verdwijnen, maar luider klinkt het lied: De wereldzon blijft schijnen, haar glansen sterven niet!”
En op zondag 28 november is het in de kerk als het ware Nieuwjaar. De stemming  van de week daarvoor is volledig omgeslagen. De kleur is dan paars. En we zingen liederen als: “Verheft uw hart, weest welgemoed. Verhoopt de dag die daagt voorgoed. Gedenkt uw Heer en zijn verbond in woord en brood, totdat Hij komt.”

Dan begint de cyclus weer van vooraf aan. We kijken weer verwachtingsvol uit naar een nieuw jaar met de Heer.